Extra Opdr8: Een simulatie inzetten

een20simulatie20inzetten1

In een simulatie kunnen leerlingen de werkelijkheid nabootsen en manipuleren, de bovenstaande werkblad is een natuurkundeopdracht waarbij een simulatie is ingezet. De volgende vragen worden gesteld;

A. Wat zijn de voordelen t.o.v. proeven met echte spullen?

- De voordelen zijn dat het minder tijd kost dan dat je een practicum organiseert met de benodigdheden, kost minder geld en de leerlingen kunnen het op alle manieren nabootsen en experimenteren omdat er niets kapot gaat.

B. Wat zijn de nadelen t.o.v. proeven met echte spullen?

- Nadeel is dat leerlingen de opdracht op pc moeten maken, de simulatie is twee dimensionaal terwijl je bij echte spullen alles van alle kanten kunt bekijken.

Mogelijke volgorde:

1. Een experiment met echte spullen.Een katrol, een last, een krachtmeter.

2. Een aantal experimenten met een simulatie.

C. Voordelen van deze volgorde?

- De voordeel van deze volgorde is dat leerlingen met een echte practicum eerst kunnen uittesten hoe alles werkt en daarna pas in een simulatieopdracht, de kennis die ze opgedaan hebben toepassen.

D. Voordelen van de omgekeerde volgorde? (eerst de simulatie)

- Kost extra tijd practicum en simulatie opdracht voorbereiden. Ik zou tijdens de practicum dan gelijk werkbladen uitdelen waarop opdrachten staan.

E. Wat zijn sterke kanten van deze opdracht?

- Je kunt verschillende krachten en aantallen invoeren, leerlingen  kunnen het dan makkelijker begrijpen.

- Het is kleurrijk en niet saai.

- Er zit een foto bij van een voorbeeld waardoor leerlingen de opdracht kunnen vergelijken.

F. Wat zijn verbeterpunten?

-In de opdracht staat ook dat je de antwoorden moet voorspellen, voor de leerlingen is dat gewoon gokken en dan verder spelen.

Opdr8: 11 Stemkastjes

Na onze les, de filmpje van www.ict-edu.nl (tweede filmpje staat er niet meer) en hoofstuk 10 van Jonassen vindt ik dat stemkastjes erg handige gadgets zijn om ze op school te hebben.

Dit vind ik omdat:

- het leren zichtbaar word

- leerlingen moeten bij de les blijven (ze moeten stemmen)

- iedereen is dus individueel betrokken bij de les

- leerlingen kunnen aangeven of ze vragen hebben

- anoniem stemmen

- docent kan voorkennis testen

- docent kan controlevragen vragen aan leerlingen om te kijken of hij/zij leerdoel heeft behaald

- aan de statistiek die eraan verbonden is kan de docent de percentage fouten zien

- leerlingen vinden het handig

De stemkastjes zou ik zelf niet dus niet gebruiken voor een toets, daarvoor zou ik iedereen rustig de tijd geven om zijn of haar verhaal te laten schrijven en daarnaast zou ik een toets niet alleen uit meerkeuzevragen opbouwen maar er open vragen bij zetten.

Opdr8: 9 BIT verslag H3

Een BIT verslag bevat de volgende onderdelen:

-       begrijpen:

o    Is de strekking van wat je leest jou duidelijk?

De strekking is mij duidelijk. Ook de woorden die er worden gebruikt. Vaak worden er Engelstalige vak termen toegepast, maar worden nader uit ook gedeeltelijk uitgelegd.

o    Is de argumentatie helder en juist?

De argumentatie is helder en wordt goed onderbouwd, daarnaast worden er ook verschillende soorten argumenten gebruikt, die bij verschillende opleiding zijn toegepast. De schrijver legt ook uit waarom ze zijn geslaagd of mislukt. Doordat ze goede argumentatie gebruiken en voorbeelden uit het verleden die echt zijn toegepast, klopt de argumenten wel.

o    Welke vragen heb je n.a.v. de strekking en argumentatie?

Er zijn veel simulatie programma’s in de vorm van spelletjes. Die eigenlijk als een spelletje worden gezien, waarom worden ze niet toegepast in de studie zelf?

Waarom worden zulke spelletjes niet aangeraden door scholen, zodat jongeren ook thuis door middel van spelletjes zichzelf ontwikkelen?

Waarom word er in de media vooral gezegd dat spelletjes schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de hersenen terwijl er in dit hoofdstuk wordt aangegeven dat je baat hebt aan spelletjes voor de ontwikkeling?

-       integreren:

o    Hoe past wat je hebt gelezen bij jouw eigen ervaringen?

Het geeft aan dan doormiddel van goed geprogrammeerde simulaties de studenten kan bevorderen in hun opleiding. Daarnaast ook gelijk kunnen toepassen en andere manieren zelf moeten bedenken om tot een oplossing te komen. Hier kan je bij biologie denken aan simulaties programma’s waarbij je een dierentuin moet onderhouden. En dat je hier moet denken aan elke soort dier en hun leefomstandigheden te verbeteren. Denk hier aan de behoeftes van verschillende soort dieren en opdrachten relativerend aan de onderwerpen gedrag, evolutie etc.

o    Heb je voorbeelden of tegenvoorbeelden bij wat je hebt gelezen?

Simulatieopdrachten kosten minder voorbereidingstijd en geld, maar kan de leerlingen niet de realiteit laten voelen. Zoals b.v. een hartpracticum te uitvoeren kunnen leerlingen zien hoe een hart er in het echt uitziet, aan de andere kant vinden heel veel leerlingen het eng een echt hart op tafel te zien liggen dus zijn simulaties ideaal om uit te voeren.

o    Welke verbanden zie je met andere onderwerpen of theorieën?

Dat het theorie met praktijk samen proberen te brengen en het bewust maken van studenten waarmee ze bezig zijn. Doormiddel van simulaties kunnen ze de voordelen en nadelen zien van wat zij weten. En kunnen ze op een zwakheden inspelen om ze te verbeteren. Zo krijgen ze een groter beeld over wat ze kunnen met dat vak.

o    Wat spreekt je wel/niet aan en wat vind je wel/niet belangrijk?

Dat studenten doormiddel van simulaties een beeld krijgen over wat zij doen, maar ook dat zij actief bezig zijn en verschillende problemen voorgeschoteld krijgen en die moeten oplossen. Hierdoor moeten ze inzicht hebben dan alleen kennis. Waardoor ze zichzelf in verschillende opzichten kunnen verbeter. Dit is wat mij aanspreekt en ook belangrijk vind.

-       toepassen:

o    Welke mogelijkheden zie je om wat je hebt gelezen toe te passen in je eigen onderwijspraktijk?

Ik kan makkelijk opdrachten geven met organellen/organen/organismen die ze in een simulatieprogramma kunnen verwerken om te kijken hoe het organel/orgaan/organisme werkt.

o  Welke concrete voornemens maak je hierbij?

Om zeker in de toekomst opdrachten met simulaties te ontwerpen en in de klas te laten uitvoeren.

Opdr8: 10 Expert op afstand

Achtergrondinformatie over Bob Hofman

‘Bob heeft 25 jaar VO-ervaring en is vanaf het begin betrokken bij Internationaliseren met ICT. Vanuit zijn bedrijf ICT&E ontwerpt & coördineert Bob educatieve projecten in ruim 30 landen. Hij is voorzitter van iEARN Nederland en ontwerpt & coördineert educatieve projecten in ruim 30 landen’.

http://docent.kennisnet.nl/columns/ezines/08_02

In 2000 begon Bob Hofman zijn bedrijf ICT&E, waar de 7 C’s het uitgangspunt vormen voor Global Learning. Er wordt gewerkt aan verandering in het onderwijs, ontwikkeling en denken over de meerwaarde van ICT in het leren centraal staat. ICT& E werkt vaak met het Nederlandse Ministerie van Onderwijs en Nationale Onderwijs Poort „Kennisnet.“ Door Kennisnet, coördineert hij het project „Twinschool“, dat scholen in Canada en de V.S. 1 op 1 verbindt. Er is dus volle aandacht voor advisering en begeleiding van (school)organisaties.

http://www.ict-edu.nl/sjablonen/ictene/index.asp?subsite=138

Mijn vragen aan Bob Hofman:

*Hoe zou U ‘interactive learning’ uitleggen/definiëren? 

*Hoe verlopen de projecten die U draait in landen waarin weinig Pc’s en ICT mogelijkheden zijn?

*Welke tips en ideeen zou U ons geven als we digitale leermiddelen in de klas gaan gebruiken?

* Wat moet je doen om een succesvolle videoconference op te zetten in de klas?

Dit waren mijn vragen aan Bob Hofman, helaas kon ik tijdens het videoconference niet aanwezig zijn. :(

Ik heb wel het video bekeken en ik kon eigenlijk geen verschil zien tussen een videogesprek op MSN en videoconference, misschien moest ik daarvoor aanwezig zijn?

Opdr8: 8 “Forumdiscussies in het onderwijs”

opdrachten_bijeenkomsten

Nadat we de forumdiscussie hebben gelezen gaan we de volgende vragen beantwoorden:

1. Welke reactie is het meest nuttig voor de probleeminbrenger?

- Als je kijkt naar het niveau van het vraag kun je merken dat Daen een simpele makkelijke vraag stelt. Op het vraag krijgt hij vier reacties (Dark Dizzie, Illusion 2x, Kazet) met soms een hele lap tekst met een uitleg van hoge niveau (Illusion) wat dus onduidelijk zal zijn voor Daen. Daarnaast gaan de twee forumers in discussie over de details van de wet van Ohm wat off- topic is. Het enige antwoord waar Daen wat aan heeft en zal begrijpen is die van Dark Dizzie.

2. Welke reactie is het minst nuttig voor de probleeminbrenger?

- Het laatste antwoord van Illusion is het minst nuttige antwoord voor Daen, het is off-topic en gaat over de uitleg dat Illusion geeft en excuses aanbiedt omdat hij verwarring teweeg bracht.

3. Stel jij bent de moderator. Schrijf een inteventie voor een specifieke plaats  in de discussie. De interventie moet bedoeld zijn om de deelnemers elkaar beter te laten helpen.

inventie-forumdiscussie

Een forumdiscussie op sharepoint komt nog…

Opdr8: 4 BIT verslag H1.

BIT Verslag “What is Meaningfull learning?”

Bij het lezen van de tekst is het mij wel duidelijk overgekomen wat er mee werd bedoeld. Ik vind de argumentatie wel helder en ook juist. Vooral over het gebruik van technologie, die hedendaags veelvuldig wordt toegepast op scholen. Ik heb eigenlijk niet zoveel vraagtekens na het lezen van de tekst. Toch is het nu niet makkelijk om bepaalde dingen te beperken met technologie. Hierbij bedoel ik dus het kopieren van informatie vanuit internet of de technologie gebruiken voor een andere doeleinde.

De problemen die beschreven worden komen ook overeen met mijn ervaringen. Hier te denken aan studenten die afhankelijk zijn van technologie, maar daarnaast ook dat gebruik van technologie meer wordt gewaardeerd. Het is nu Veel toepasselijker om beamers, overhead projectors, digitale schoolborden te gebruiken. Maar ook gebruik maken van verschillende programma’s om stof aantrekkelijk te maken.

Er wordt in de tekst duidelijk gemaakt om technologie toe te passen om er mee te leren en niet ervan te leren.Dus kant-en-klaar kopieren van internet of boeken. Het is de bedoeling dat technologie het makkelijk maakt voor de ontvanger om de informatie goed te kunnen verwerken en toe te passen en niet klakkeloos over te nemen en er niks van leren.

Ook wordt de link gelegd aan de studie ontwikkeling van studenten, door gemakzucht van technologie ook in praktijk dingen te overnemen en geen initiatief of inzicht kunnen tonen op hun werk.

Dit vind ik wel een zeer belangrijk onderwerp, omdat de ontwikkeling niet gepaard gaat met wat er wordt vereist. Waardoor studenten niet goed ontwikkelen in dit proces.

Bij het voorbereiden van de lessen zou ik de les actiever maken. Proberen de les te koppelen met hedendaagse dingen, zoals; documentaire’s in de klas op de beamer laten zien, opdrachten maken op biologiesites, digitale toetsen afgeven etc. Wat voor biologie heel toepasbaar is. Maar ook meer praktisch gericht met bijv. practicums waarop de torso digitaal is afgebeeld etc. Dus gebruik maken van de juiste digitale leermiddelen.

 

Opdr8 3.1. Bijeenkomst 3

Verslag 3de bijeenkomst (19-05-2008 )

De derde bijeenkomst heeft mij bepaalde dingen wat duidelijker gemaakt. Wat we bijv. nog moeten doen en wat de bedoeling was van deze bijeenkomst. Elke groepslid heeft vandaag zijn eigen inventariesatieproduct op tafel gelegd. Iedereen (behalve ik) had zijn stukje netjes tot de puntjes voorbereid, ik had hem wel gemaakt maar was er toch onzeker over (was het voldoende?)

Daarnaast hebben we aan de hand van een casus, een vragenlijst van Jonassen proberen te invullen. De casus heeft ons geleerd hoe leerlingen internet als informatiebron gebruiken. Het zoeken van informatie moet je niet verwarren met leren. Het doel is de gevonden informatie tot je eigen informatie te maken.

Dus; 1. plannen

        2. strategiëen gebruiken

        3. Evalueren

        4. Vergelijken

Je kunt met de website www.webdedective.nl checken of je betrouwebare informatie heb verzameld.

We hebben de opdracht van Michel gekregen om vragen te maken voor Bob Hofman.

Opdr8 2.4. Informatievaardigheden (variant 2)

De opdracht was dat je een interactieve leereenheid over informatievaardigheden moest bestuderen namelijk;

http://www.inhetonderwijs.com/ddd/digitalisering/infobeoordelen/index.html

wat ik heel leuk en handig vond is het duidelijke tekst met video, dat er kort en duidelijk beschreven werd waar het bij informatievaardigheden om gaat. Daarnaast stonden er nuttige links bij hoe je het beste betrouwbaar informatie van internet kon afhalen (met Webdedective).

Er zijn ook twee bijlagen weergegeven (Alexandria Declaration 2005 Nederlands en Door de bomen) Door de bomen vond ik intersanter en leerzamer dan de andere bijlage omdat er ook duidelijke schema’s in waren verwerkt met zoals een stappenplan dat leerlingen ondernemen voordat ze informatie gaan opzoeken.

Toepasbaarheid in het onderwijs

Idee nummer 1:

Het maken van een geplastificeerde lijst met vragen van Jonassen, maar dan in vragen die leerlingen zouden kunnen begrijpen. Deze in mediatheken ophangen of naast de computers leggen, zodat de leerlingen al vanaf de brugklas aanleren hoe ze op internet moeten zoeken naar betrouwbare informatie.

 

Idee nummer 2:

De vragen van Jonassen verwerken in de opdrachten waarin internet nodig is. Zodat leerlingen met de vragen van Jonassen op zoek gaan naar informatie en dan pas die informatie gebruiken wanneer ze weten dat het betrouwbaar is.

Opdr8 2.2. Cognitieve Multimedia Theorie

Volgens de opdracht laat ik nu 2 voorbeelden zien van digitale leermiddelen en ga ik ze toetsen volgens het Cognitieve Multimedia Theorie.

Link 1:

http://www.bioplek.org/animaties/spijsvertering/spijsvertering2.html

1.Multimediaprincipe –>  ++ Er is beeld, tekst en invulvakjes.

2. Special contiguity –> ++ Beeld en tekst zijn bij elkaar.

3. Temporal contiquity–> ++ Er is geen tijdslimiet eraan verbonden.

4. Coherentieprincipe –> ++ Aangezien dit onderdeel voor het bovenbouw is, is het tekst niet te veel voor het niveau.

5. Modaliteitsprincipe –> – Geen geluid.

6. Redundantieprincipe –> – Geen geluid.

7. Voorkennis/ Ruimtelijk inzicht –> + Het onderdeel is voldoende uitgelegd zodat je geen voorkennis ervoor hoeft te hebben.

Link 2:

http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20071126_evolutie01

1.Multimediaprincipe –>  +/- Goed verstaanbaar, leuke animatie’s, helaas weinig tot bijna geen tekst.

2. Special contiguity –> +/- Goede beeld maar geen tekst.

3. Temporal contiquity–>  +/- Er is geen tekst, beeld is te snel.

4. Coherentieprincipe –> ++  Er is geen tekst maar voor het onderbouw is dit filmpje wel ideaal. Omdat er weinig tekst en alleen beeld is met gesproken informatie.

5. Modaliteitsprincipe –> – Wel geluid, geen tekst.

6. Redundantieprincipe –> + Beeld en geluid passen goed bij elkaar.

7. Voorkennis/ Ruimtelijk inzicht –> + Het onderdeel is voldoende uitgelegd zodat je geen voorkennis ervoor hoeft te hebben.

 Conclusie

Uit de twee voorbeelden die ik heb gegeven vind ik dat link 1 beter past in het cognitieve multimedia theorie dan link 2 er is beeld en tekst, dat zorgt ervoor dat je sneller iets leert en oppakt. In link 2 heb je geen tekst maar wel beeld en geluid, het kan hierbij wel zo zijn dat je echt iets leert als leerling, er twee keer naar moet kijken.

Opdr8 1.2. Mijn digitale footprint!

En dit is dan mijn digitale footprint..

« Oudere berichten
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.